Sitemap   Print

 Geruisloze inbreng TBS-pand in 2010

Voor 2001 kochten dga's het bedrijfspand privé. De financieringsrente was aftrekbaar en de waardestijging fiscaal vrij. In die jaren was een waardestijging van onroerend goed van meer 5% per jaar niet uitzonderlijk. Oud-staatssecretaris Vermeend verraste vriend en vijand met de TBS-regeling. Hierdoor sloeg het privé-bezit van het bedrijfspand van fiscaal voordelige structuur om in fiscaal nadelige structuur. De verlaging van de VpB-tarieven versterkte dit nog. Onder meer de NOB pleitte voor een mogelijkheid TBS-panden geruisloos in te brengen in de BV. Staatssecretaris De Jager heeft aan dit pleidooi gehoor gegeven. In 2010 kunnen dga's hun TBS-panden zonder IB-afrekening en zonder heffing van overdrachtsbelasting overdragen aan de BV. Dit is geregeld in het nieuwe art. 3.99a IB (Overige Fiscale Maatregelen 2010). De wettekst is hieronder opgenomen. In dit artikel bespreken wij enkele praktische aspecten.

 

In de Notitie Fiscale Positie dga van het voorjaar van 2009 werd nog de eis gesteld dat inbreng moest plaatsvinden in de vennootschap die het pand huurde. Deze eis is vervallen.

 

Aanvankelijk zou de inbreng plaats moeten vinden tegen uitreiking van aandelen. Hieraan kleven praktisch bezwaren. De gang naar de notaris moet worden gemaakt alsmede een accountantsverklaring vanwege inbreng in natura. Ter vermijding van deze bezwaren is de mogelijkheid gecreëerd om het pand als informeel kapitaal in te brengen. Hiervoor is wel vereist dat de dga 100% aandeelhouder is van de vennootschap waarin wordt ingebracht. De vennootschap gaat verder met de boekwaarde van de TBS-slotbalans. Naast het pand dient ook de daarop betrekking hebbende financiering te worden ingebracht. Er is een (afrondings)creditering van maximaal € 2.500 toegestaan. De verkrijgingsprijs voor het aanmerkelijk belang wordt verhoogd met de fiscale boekwaarde van het pand, minus de financiering en minus de creditering. De creditering zal men ons inziens kunnen verrekenen met de rekeningcourantpositie van de dga.

 

Informeel kapitaal is een puur fiscaal begrip. Het wordt door accountants geboekt als agio. Agio kan onbelast worden terugbetaald door omzetting in aandelenkapitaal. Hiervoor dient de nominale waarde van ieder aandeel via statutenwijziging te worden verlaagd. Wij achten het raadzaam om minimaal een jaar te wachten met terugbetaling van kapitaal.

 

Omdat de wetgever niet wil dat de onderhavige fiscale claim weglekt naar andere aandeelhouders, is de eis gesteld dat de inbrenger 90% van de aandelen bezit van de vennootschap waarin wordt ingebracht. Als het pand door twee of meer aandeelhouders gezamenlijk in eigendom is, mogen deze aandeelhouders het pand ook in een op te richten vennootschap inbrengen. Hierbij hoeft dus niet te zijn voldaan aan de 90%-aandelenbeziteis. Voor in gemeenschap van goederen gehuwden wordt het mogelijk gemaakt om de inbreng te doen in de bestaande gemeenschappelijk gehouden BV. Als de aandelen van de vennootschap worden gehouden door A en B, terwijl A enig eigenaar van het pand is, kan A het pand geruisloos in een eigen (bestaande of op te richten) BV inbrengen.

 

De vrijstelling voor de overdrachtsbelasting is geregeld in art. 15(1)(z) WBR. Houd rekening met de volgende bezitseisen:

  • driejaarsbezitseis aandelen;
  • driejaarsbezitseis onroerende zaak door de vennootschap waarin is ingebracht.

Met de bezitseis voor de aandelen is ons inziens gedeeltelijke terugbetaling van kapitaal verenigbaar. Inkoop van aandelen gaat wel fout. Als de inbreng plaatsvindt tegen informeel kapitaal, geldt het aandelenvervreemdingsverbod voor alle aandelen die de dga in de vennootschap bezit.

 

Stel dat het TBS-pand op 15 maart 2010 wordt ingebracht in de BV. Stel verder dat tegen het eind van 2010 zich onverwachte ontwikkelingen voordoen waardoor het pand begin 2011 wordt verkocht. De verkoop is uiteraard onderworpen aan 6% overdrachtsbelasting. Vanwege schending van de driejaarsbezitseis wordt eveneens de vrijstelling teruggenomen waardoor nogmaals 6% overdrachtsbelasting verschuldigd is. Deze dubbele heffing blijft alleen achterwege als de verkoop plaatsvindt binnen zes maanden na inbreng in de BV, art. 13 WBR. Voornoemde dubbele heffing is een risico waarmee rekening moet worden gehouden bij de inbreng in de BV. Met het oog hierop kan men overwegen de inbreng pas in december 2010 te doen. Men loopt dan in 2010 nog wel tegen TBS-inkomen aan. Hiervoor geldt dan de TBS-vrijstelling van 12%.

 

In het weinig waarschijnlijke geval dat de werkelijke waarde van het TBS-pand lager is dan de boekwaarde, kan men afzien van de inbrengstelling van de IB en louter gebruik maken van de vrijstelling overdrachtsbelasting.

 

De geruisloze inbreng is voordelig als het pand naar verwachting mee zal gaan naar de toekomstige bedrijfsopvolger. Groot voordeel is dat de overdracht van het pand zonder overdrachtsbelasting kan plaatsvinden. Als het voornemen bestaat om het pand te zijner tijd aan de bedrijfsopvolger te verhuren, dient men zich tweemaal achter de oren te krabben alvorens gebruik te maken van de eenmalige inbrengmogelijkheid. Het zal de voorkeur verdienen de toekomstige verhuur vanuit box 3 te laten plaatsvinden. Met het oog hierop zal men zich wellicht gedurende een aantal jaren een iets hogere fiscale druk moeten laten welgevallen. Bedenk hierbij dat door de invoering van de TBS-vrijstelling de fiscale druk op TBS-inkomen sowieso al lager wordt. Uitgaande van het toptarief IB en de TBS-vrijstelling van 12% gaat dit naar 52% minus 12% x 52% = 45,76%. Dit geldt uiteraard ook voor de afrekening over de waardestijging. Als men het pand geruisloos inbrengt in de BV en het over enkele jaren weer terughaalt naar het privé-vermogen, loopt men tegen de overdrachtsbelasting aan. In het rekenmodel Inbreng TBS-pand 2010 is de mogelijkheid geopend rekening te houden met deze "latente" overdrachtsbelasting.

Wil men gebruik maken van de geruisloze inbreng dan moet men hier niet te lang mee wachten. De mogelijkheid bestaat namelijk alleen in 2010; zij vervalt op 1-1-2011.

 

Wettekst art. 3.99a IB

1. Indien een onroerende zaak op grond van artikel 3.92, eerste lid, behoort tot een werkzaamheid en deze werkzaamheid wordt gestaakt door inbreng van de onroerende zaak en de rechtstreeks daarmee samenhangende schulden in een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, wordt voor het bepalen van het resultaat uit die werkzaamheid de werkzaamheid geacht niet te zijn gestaakt, mits:

a. de inbreng plaatsvindt voor 1 januari 2011;

b. de inbreng plaatsvindt tegen uitreiking van aandelen in de vennootschap en een creditering van ten hoogste € 2500;

c. de belastingplichtige na de inbreng direct of indirect voor ten minste 90% van het totaal geplaatste aandelenkapitaal aandeelhouder is van de vennootschap, en

d. zowel de belastingplichtige als de vennootschap dit verzoeken.

Ingeval de belastingplichtige zowel vóór als na de inbreng enig aandeelhouder is van de vennootschap, geldt op verzoek in plaats van de voorwaarde van onderdeel b, de voorwaarde dat de inbreng geschiedt als kapitaal zonder dat er ter zake van die inbreng aandelen worden uitgereikt (informele kapitaalstorting).

 

2. Indien een onroerende zaak in mede-eigendom wordt bezeten waarbij bij elke eigenaar de mede-eigendom behoort tot een werkzaamheid en de gezamenlijke eigenaren de onroerende zaak en de rechtstreeks daarmee samenhangende schulden inbrengen in een daartoe opgerichte gezamenlijke naamloze of besloten vennootschap, is het eerst lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de voorwaarde van het eerste lid, onderdeel c, de voorwaarde geldt dat ter zake van de inbreng één soort aandelen wordt uitgereikt. Voorts geldt alsdan als aanvullende voorwaarde dat alle eigenaren om toepassing van dit artikel verzoeken.

 

3. Bij inwilliging van het in het eerste of tweede lid bedoelde verzoek wordt bij de vennootschap waarin de onroerende zaak is ingebracht voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de boekwaarde van de onroerende zaak en de boekwaarde van de rechtstreeks daarmee samenhangende schulden gesteld op de boekwaarde daarvan bij de werkzaamheid.

 

4. Bij inwilliging van het in het eerste of tweede lid bedoelde verzoek wordt bij de belastingplichtige voor de toepassing van hoofdstuk 4 de verkrijgingsprijs van de bij de inbreng verkregen aandelen gesteld op boekwaarde ten tijde van de inbreng van de ingebrachte onroerende zaak verminderd met de boekwaarde op dat tijdstip van de ingebrachte schulden en met het bedrag van de creditering. De verkrijgingsprijs, bedoeld in de eerste volzin kan negatief zijn.

 

5. Ingeval de tweede volzin van het eerste lid toepassing vindt, wordt bij inwilliging van het in het eerste lid bedoelde verzoek bij de belastingplichtige voor de toepassing van hoofdstuk 4 de verkrijgingsprijs van zijn aandelen of winstbewijzen in de vennootschap waarin de onroerende zaak en de rechtstreeks daarmee samenhangende schulden zijn ingebracht verhoogd met de boekwaarde ten tijde van de inbreng van de ingebrachte onroerende zaak en vervolgens verminderd met de boekwaarde op dat tijdstip van de ingebrachte schulden. De aanpassing van de verkrijgingsprijs van de aandelen en winstbewijzen, bedoeld in de eerste volzin, kan leiden tot een negatief bedrag.

 

6. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarbij in de beschikking de boekwaarde van de onroerende zaak, de boekwaarde van de rechtstreeks daarmee samenhangende schulden en de verkrijgingsprijs van de bij de inbreng verkregen aandelen worden vermeld.

Disclaimer SiteMap Copyright ©2007 MFAS/Meijer Fiscale Adviessystemen BV