Sitemap   Print

Successieprobleem laagrentende leningen in 2010

Onder de huidige successiewet is het mogelijk om renteloos te lenen aan bijvoorbeeld kinderen. De kinderen kunnen met de aldus verkregen liquiditeiten rente kweken. Dit voordeel kan nu niet belast worden met schenkingsrecht. Voorwaarde hiervoor is wel dat de lening formeel en materieel direct opeisbaar is.

 

In de voorgestelde Wet schenk- en erfbelasting 2010 zal dit veranderen. Bij een direct opeisbare renteloze lening zal er een jaarlijks voordeel ter hoogte van 6% als schenking in aanmerking worden genomen. Als dit meer is dan de vrijstelling (voor kinderen € 5.000), dan is het meerdere belast met schenkingsrecht. 6% is de normrente. In het voorstel van april j.l. was de normrente op 4% gesteld, maar in het Voorstel van wijziging van augustus is weer teruggekeerd naar de huidige 6%.

 

Wetstechnisch is dit geregeld in artikel 15-nieuw. Dit artikel luidt als volgt:

  1. Van een direct opeisbare geldlening welke geen rente draagt of een rente draagt die lager is dan het percentage, bedoeld in artikel 21, elfde lid, wordt voor de toepassing van deze wet de schuldeiser geacht van dag tot dag het vruchtgebruik aan de schuldenaar te hebben geschonken.
  2. Hetgeen in een kalenderjaar ingevolge het eerste lid geacht wordt te zijn geschonken, wordt geacht tot het totale bedrag te zijn geschonken op de laatste dag van het kalenderjaar, dan wel indien de schuldeiser in de loop van het kalenderjaar overlijdt, op de dag van overlijden van de schuldeiser.

 

voorbeeld
Ouders lenen een kind renteloos, direct opeisbaar € 200.000. Het jaarlijkse voordeel wordt gesteld op € 12.000. De vrijstelling bedraagt € 5.000 zodat € 7.000 belast is. Het tarief bedraagt 10%, zodat de verschuldigde schenkbelasting uitkomt op € 700.

 

Nu denkt u wellicht hier onderuit te komen door 1% rente in rekening te brengen. Dan is immers geen sprake van een renteloze lening. Dit zal echter niet effectief zijn. In zo'n geval zal er een jaarlijks voordeel van 5% in aanmerking worden genomen.

 

Een probleem is dat de normrente van 6% aan de hoge kant is. Er bestaan in de praktijk tal van situaties waarbij ouders aan kinderen tegen bijvoorbeeld 4% lenen. In alle gevallen dat de lening direct opeisbaar is en de rente lager dan 6%, wordt een schenking in aanmerking genomen. Vaak zal dat vanwege de vrijstelling geen problemen opleveren. Maar het is wel zo dat voor zover de vrijstelling wordt opsoupeerd door het fictieve rentevoordeel, zij niet meer voor andere doeleinden beschikbaar is.

 

Het hier aangegeven probleem doet zich niet voor als de lening een vaste looptijd heeft. Maar bij een vaste looptijd doet zich mogelijk weer een ander probleem voor. Dat probleem is niet nieuw. Als de rente onzakelijk laag is, is de contante waarde van het verschil tussen de werkelijke rente en de zakelijke rente gedurende de looptijd van de lening ineens belast als schenking. Hierbij is niet per se de 6%-norm het uitgangspunt maar een "zakelijke rente" wat dat ook moge zijn. In de praktijk wordt daar vaak niet bij stil gestaan en ook de fiscus ziet dat meestal niet. De behandeling van een laagrentende lening met een vaste looptijd verandert in de nieuwe wet overigens niet.

 

Of deze nieuwe regeling voor direct opeisbare leningen in de praktijk werkbaar is, moet worden afgewacht, maar wij vrezen het ergste.

Disclaimer SiteMap Copyright ©2007 MFAS/Meijer Fiscale Adviessystemen BV