MFAS Actueel

Hoge Raad spreekt zich uit over de Fraude Signalerings Voorziening

laatst gewijzigd: 14-12-2021 17:55

In onze nieuwsbrieven en magazines zijn regelmatig zaken van de belastingadviseur behandeld, die vanaf één IP-adres duizenden aangiften IB met verzonnen aftrekposten had ingediend. Gek genoeg hebben de landelijke media aan deze megafraude geen aandacht besteed. De cliënten kregen navorderingen aan hun broek of jurk. De ontdekking van de fraudes heeft de adviseur er niet van weerhouden om de correcties grootschalig bij de belastingrechter aan te vechten. Ervan uitgaande dat de procedures die op rechtspraak.nl zijn gepubliceerd slechts het topje van de ijsberg zijn, gaat het waarschijnlijk om vele honderden zaken. Bij lagere rechters is enkele malen succes geboekt met een beroep op het ambtelijke verzuim. De Belastingdienst was op de hoogte van de grootschalige fraude en had de aangiften moeten uitwerpen. In de casus van HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1662 bleef de navordering op grond van de bij de belastingplichtige en zijn adviseur aanwezige kwade trouw intact. Beperkt succes is geboekt met een beroep op het correctiebeleid. Een derde insteek voor de bestrijding van navordering is vermeend onrechtmatig gebruik van de beruchte fraudelijst van de Belastingdienst (Fraude Signalerings Voorziening). Dit is het onderwerp van HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748.

Het hof had geoordeeld dat X geen recht heeft op een hogere aftrek dan de door de inspecteur toegestane aftrek. Voor zover hij in cassatie tegen dit oordeel opkomt, verklaart de Hoge Raad dit met toepassing van 81 RO ongegrond. De fraude heeft zich afgespeeld in kringen van personen met een migratieachtergrond. Mogelijk dat de media er uit ‘politieke correctheid’ geen aandacht aan heeft besteed en juist wel aan de (discriminerende) fraudelijst van de Belastingdienst. Veel personen uit deze kring stonden op voornoemde lijst. Belanghebbende (X) veronderstelt dat ook hij op die lijst stond. Hij betoogt dat uit de bevindingen van een onderzoek van KPMG blijkt dat het bijhouden van de lijst in strijd is met de AVG en beginselen van behoorlijk bestuur. Deze vorm van fraudebestrijding zou daarom onrechtmatig zijn en zou dan ook niet als basis mogen dienen voor de correctie van de aangifte. X heeft zich hierop pas bij de Hoge Raad beroepen. Het voor de beoordeling hiervoor benodigde feitelijke onderzoek kan evenwel niet door de Hoge Raad worden gedaan. Het cassatieberoep wordt daarom ook op dit punt ongegrond verklaard. Deze klacht berust voor het overgrote deel op informatie die dateert van na de datum van de hofuitspraak. Gelet hierop heeft het hof hiermee bij zijn oordeel geen rekening kunnen houden. De Hoge Raad wijst er op dat X een verzoek zou kunnen indienen tot herziening van de uitspraak van het hof, maar kan niet overzien of zo’n verzoek succes kan hebben.

De Hoge Raad schetst ambtshalve enkele uitgangspunten voor te verwachten toekomstige procedures. Het gaat om situaties waarin de belastingplichtige zelf bewijs moet leveren voor in de belastingaangifte opgenomen aftrekposten. Als de beslissing van de Belastingdienst om de aangifte van iemand te controleren onrechtmatig is, omdat die controle voortvloeit uit een onrechtmatige risicoselectie of verwerking van persoonsgegevens, kan dat in uitzonderlijke gevallen gevolgen hebben voor de belastingaanslag die na zo’n controle wordt opgelegd. Die uitzonderlijke gevallen kunnen zich voordoen als de aangifte voor controle is geselecteerd op basis van een criterium dat leidt tot een schending van een grondrecht van die belastingplichtige, zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging. Tot voormelde uitzonderlijke situaties kan niet zonder meer worden gerekend het geval waarin de Belastingdienst het recht van een belastingplichtige op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer heeft geschonden door gegevens van die belastingplichtige te verwerken op een wijze die door de inhoud, het gebruik of de verspreiding van de desbetreffende bestanden in strijd is met de Wet bescherming persoonsgegevens of de AVG. Indien zou worden geconstateerd dat de door deze regelingen beoogde bescherming van de persoonlijke levenssfeer door de verwerking van persoonsgegevens is geschaad, kan dat dus als zodanig niet leiden tot een verlaging van een aanslag. Evenmin kan de belastingrechter in zo’n geval aan een belastingplichtige een schadevergoeding toekennen. Dat kan namelijk alleen als de aanslag onrechtmatig is. Een belastingplichtige moet in de hiervoor geschetste gevallen voor een eventuele schadevergoeding een afzonderlijk verzoek richten tot het desbetreffende bestuursorgaan. Een eventuele procedure daarover moet worden gevoerd voor de algemene bestuursrechter op grond van vermeende schending Wet bescherming persoonsgegevens of AVG of de civiele rechter.

Een beroep op onrechtmatig gebruik van de fraudelijst zal in beginsel niet door de belastingrechter worden gehonoreerd. Men zal hierover bij een andere bestuursrecht of de civiele rechter moeten procederen. Deze zal de Belastingdienst dan mogelijk tot een schadevergoeding veroordelen.

Complementary Content
${loading}